Stockholm in 4 dagen

Stockholm. Venetië van het Noorden, hoofdstad van Zweden, noem maar op. Wij waren er eind oktober op een 4-daagse trip. Onze aan- en afraders op een rijtje.

Stockholm

Als je landt op vliegveld Arlanda neem dan de trein naar het centrum. Voor ca. 50 euro per persoon heb je een retourtje met de Arlanda Airport Express. In 20 minuten sta je in het centrum. Nog een absolute aanrader voor transport is een fiets. Bij het Zweedse VVV (schuin tegenover het treinstation) kun je voor ca. 35 euro voor 2 personen een kaart aanschaffen waarmee je drie dagen lang onbeperkt de speciale fietsen uit de stalling kunt halen. Erg welkom na reeds één dag lopen 🙂

De Arlanda Express Treinstation Stockholm

Mocht je op zoek zijn naar nieuwe handschoenen, maar zelfs als je dat niet bent, breng dan vooral een bezoek aan handschoenenzaak Hestra, Norrlandsgatan 12. In dit zaakje zijn haast alle wanden bekleed met lades vol handschoenen. Voor ieder wat wils: dun, dik, leer, synthetisch, klassiek eenvoudig of bewerkt, in alle kleuren die je maar kunt bedenken.

Handschoenenzaak Hestra

Restaurant B.A.R. Hier heb je de mogelijkheid om allerlei vissoorten en schaaldieren te proeven. Bestel een menu of loop langs de vitrine om je hoofdgerecht aan te wijzen. Reserveren is een must want net als veel andere restaurants in Stockholm zit het ook hier in het weekend bomvol. Het publiek zijn hippe yuppen die rijkelijk champagne bestellen.

Het Vasamuseum. Gezonken in 1628, in 1961 weer uit het water herrezen en dit jaar vieren ze het jubileum van 50 jaar op het droge. Het dramatische verhaal rond die glorieuze oorlogsschip kent geen gelijke: het zonk al na 1300 meter! In de jaren ’60 is het weer uit de klei getrokken en het prachtige gerestaureerde resultaat kun je van dichtbij bekijken. Het museum biedt je een kijkje in het restauratieproces, stelt een deel van de inhoud van het schip ten toon (de zeilen, na 300 jaar in het water te hebben gelegen: de zeílen!), geeft sfeerimpressies en overlaadt je met heldere achtergrondinformatie. Erg indrukwekkend en absoluut waar voor je geld. Yar!

En tot slot: geen stedentrip zonder koffie te drinken. Drink je koffie bij Wayne’s Coffee. Ze serveren er een heerlijk grote bak leut in een joekel van een mok. Met zo’n caffe late zit je wel een half uur gebeiteld!

Grote mok koffie

Geïnspireerd? Zie ook Parijs in 4 dagen.

Noorwegen 2008 – de verhalen en de foto’s

Ik heb me compleet suf getikt en vind het nu wel welletjes, ik moet in de resterende vrije dagen nog dingen voor mijn stage voorbereiden,dus af en toe heb ik een plaatje gebruikt in plaats van duizend woorden. En de pluspunten van Noorwegen zoals die mij zijn opgevallen heb ik schuinschrift gezet. Read on!

We zijn d’r biiiiijna, we zijn d’r biiiiiiiijna, maar nog ehm.. helemaal niet!
De heenweg was een lange rit. Eerst zijn we naar het noorden van Duitsland gereden om daar met de veerboot “binnendoor” naar het oosten van Denemarken te varen. Vanaf daar moesten we alleen nog een brug over om in Zweden aan te komen, en daar zouden we onze eerste overnachting hebben.


L: dááág Duitsland!
R: bruggetje hier, bruggetje daar, we zien ze nogal veel dit jaar..

We hadden de hele heenweg aardig weer gehad, en zo ook vlak boven Göteborg, in het dorpje Kungälv. Na ons spul in het overnachtingshuisje (namelijk twee stapelbedden en een tafel met stoeltjes) te hebben gezet zijn we pizza gaan eten in een klein restaurantje. En het was echt niet alleen omdat honger rauwe bonen zoet maakt, maar de pizza’s smaakten er super en de bediening sprak er prima Engels! Dat is ons best opgevallen: van kassabedienden tot pomphouder, veel mensen spreken er goed Engels.

Op dag twee was het een kwestie van flink doorrijden om in Noorwegen te komen. Via Oslo, waarna al gauw de snelweg ophield en we over gingen op 90 km/u, hopla, naar het gehuchtje Hovet. Hmm.. eigenlijk waren het er allemáál gehuchtjes dus voor groots spektakel moet je er niet naartoe gaan. Het huisje stamt uit 1750 en het straalde die leeftijd ook echt uit, met zijn zonverweerde houten uiterlijk en kleine innerlijk, want de hele week liepen we gebukt door de deuropeningen. Zoals wel bij meer huizen te zien is, hadden we ook hier ter isolatie gras en berkenbast op het dak.

Als je buiten het huisje stond kon je in de verte een waterval zien. We hadden een relaxdag en wilden we ergens aan het water gaan liggen. Water genoeg! Dus zijn we neergestreken aan een meertje een eindje verderop. Het water was afkomstig uit de omringende bergen en dus erg koud. Ik ben dan ook niet verder gekomen dan natte knieën en de rest heeft hoogstens twee keer gesparteld 😉 Ondanks, of misschien wel dankzij de kou zag het water er echt fantastisch uit, zó kraakhelder! Maar ik heb de rest van de tijd als een steenbakkend reptiel in de zon gesoesd. Als je niet van zwemmen houdt, zoals ik, of niet van zonnen, dan zijn de vismogelijkheden er talrijk. Er zit naar mijn idee flink veel vis in de Noorse wateren en het aantal vissers dat ik aan de kant heb zien staan bevestigt dat idee wel redelijk.


L: ons huisje/huis
R: voor glibberige stenen en ijskoudwater zit je hier wel goed.

Hivjufossen, oftewel de waterval die we bij ons huisje konden horen. Na een aardige poos ploeteren konden we dan ook van de waterval én een heel mooi uitzicht genieten.


L: zo dichtbij en toch zo ver weg, *zucht…
R: zo kun je een beetje zien hoe groot die waterval nou eigenlijk was. En nog dekt het niet helemaal de lading, maar hij was voor mij groot genoeg om niet al te dichtbij te gaan staan. Zeker niet toen bleek dat de stenen er natuurlijk hartstikke glibberig waren!

Toen pas zag ik de bergen in de verte, en de sneeuw erop, en realiseerde ik me dat er in Noorwegen toch ook écht wel flinke bergen zijn. Niek en ik zijn nog een eindje verder omhoog gegaan in de hoop een nóg mooier uitzicht te krijgen maar toen we doorhadden dat er na elk heuveltje weer een volgende heuvel zat, besloten we maar terug te gaan.


en je zag er niemand. Totdat we een stelletje Drenten tegenkwamen dan…

In de regel wilden we een dag “ondernemen” afwisselen met een dagje easy going dus na de tocht bij de waterval gingen we een dagje niksen, kaartjes kopen en schrijven, dat soort toestanden, en hebben we een staafkerk bekeken. Wat een staafkerk een staafkerk maakt, zijn de massieve houten balken die over verticaal zijn geplaatst in plaats van het misschien meer gebruikelijke horizontaal. Het staafkerkje hier op de foto staat in Hol. Het allereerst gebouwde gedeelte stamt uit ca. 13e eeuw en is over de jaren heen vier keer uitgebreid door elke keer een stuk te verplaatsen en er weer iets tussen te bouwen. Met z’n vieren kregen we een leuke rondleiding van de gids, tot onze verbazing een leuke blonde Noorse twintiger. Er valt veel over het kleine kerkje te vertellen maar ik houd het erbij dat er veel oude (honderden jaren) voorwerpen aanwezig waren die in een verbazingwekkend goede conditie verkeerden. En bovendien rook het er heerlijk naar hout en teer.


L: klein maar fijn!
R: het interieur bezien vanaf de preekstoel. Omdat de Denen en Zweden vroeger hun stenen kerken vanbinnen wit verfden, en de Noren dat ook wel hip achtten, hebben ze vroeger de kerk eens wit geverfd en er wat mooie grote ramen ingeplaatst. Toen ze in eind 1800 of ergens in 1900 beseften dat het wel aardig zou zijn om het geheel weer in de originele staat terug te brengen, hebben ze het hele interier met de hand weer blank geschuurd en er weer kleinere ramen ingezet. Hoe bedoel je, jezelf werk geven…

Daarna op het programma: de Hardangervidda, een hoogvlakte met veel water, veel stenen en veel bergen in de verte. En veel koude wind…


L: zoals je wel vaker ziet in Europa, hebben ze er in Noorwegen ook een handje van om stenen te stapelen, oorspronkelijk bedoeld om de route mee aan te geven maar hier overduidelijk nogal uit de hand gelopen.
R: in de verte ligt een dik pak sneeuw met enkele gletsjers. Over één van die gletsjers, de Folgefonna gletsjer in Jondal, hebben we een tocht gemaakt, maar daarover later meer.

… met aansluitend nog de indrukwekkende Vøringfossen waterval (182 m.) en het fjord in Eidfjord.


L: in de verte van de kloof hing een regenwolk, de zon brak nog net door om bovenin rechts een stuk rotswand in het licht te zetten en verder was het een ruisend bulderen (kan dat?) van het neerstortende water, met als resultaat een bijzondere regenboog. Erg mooi!
R: in de omgeving van Eidfjord was niet bijzonder veel te zien. Tsja, water, maar dat telt niet want dat is overal in Noorwegen wel te vinden.

Na een rustig dagje zonnen, boeken lezen en wat kleren uitwassen (zie dat ongecentrifugeerd maar eens binnen één dag droog te krijgen) gingen we op pad om een boerderij in Hol te bekijken. Daar hadden ze, verspreid over de locatie, verschillende gebouwen uit de regio verzameld om zo een indruk te geven van hoe een Noorse boerderij er vroeger uitzag. Er waren allerlei gebouwen, elk met een andere functie: een speciaal kookhuisje, een huis om een feestje in te geven, een huis voor opa en oma, een hooischuur, een veeschuur, een huis voor de etensvoorraad en opslag van kleding, een huis voor het gezin zelf, enzovoort enzovoort. Leuk, cultureel, maar als je hoopt vanalles over Vikingen te zien, dan zit je in die regio nogal verkeerd.


echt boeien kon het niet, maar het was wel leuk om nog een béétje iets van de cultuur te hebben gezien.

Hallingskarvet National Park
’s Middags zijn Niek en ik nog vertrokken voor een tour in de omgeving van ons huisje. Het bleek dat op een steenworp afstand een weg begon die leidde naar een dam in aanbouw en, beter nog, 450 km2 Hallingskarvet National Park, wat natuurlijk gewoon weer een verzameling rotsen, bergen en glooiende heuvels was. Ik denk dat dat tripje wel het hoogtepunt van mijn vakantie was. En dat terwijl er niets te beleven viel! Dat was misschien ook juist het geweldige ervan: een onvoorstelbare stilte. Alleen het ruisen van de wind. Géén vliegtuigen, géén verkeer, zelfs het in de wind wiegen van de lage begroeiing maakte geen geluid. Gek genoeg was er ook nog een café te vinden! In the middle of nowhere! Dus voor het stølskafe aldaar hebben we koffie gedronken. Een ontzettende aanrader. Niet omdat de koffie zo lekker was, maar als je eindeloos ver kunt kijken en er alleen schapenbelletjes klingelen, dan is er niks beters op de wereld.


L: het doet een beetje Wales-erig aan, niet dan? ’s Winters is het er vast deprimerend donker en koud, maar verder kan ik me heel goed voorstellen dat mensen hier (’s zomers) wonen.
R: keizer Hadrianus was here

Van Hovet naar Askøy
Aan het einde van week één was het tijd om de spullen weer in te pakken om richting het tweede huisje aan de kust te gaan. Omdat het niet zo’n lange rit zou worden, plakten we er gelijk maar een ritje met de Flåmbaan tussen. Flåm ligt in een puntje van het Auerlandsfjord, een tak van het Sognefjord (en die is 1308 m. diep, aaaargh!). Natuurlijk stikt zoiets van de toeristen en het fjord maakt het ook mogelijk het plaatsje aan te doen met een cruiseschip, dus toen wij ruim op tijd waren voor de treinrit van 11 uur, was het natuurlijk al vol. Anderhalf uur later konden we echter wel instappen en kregen we een trip van Flåm naar Myrdal, een hoger gelegen bergstationnetje. Wat is er nou zo speciaal aan het traject? Het staat te boek als het snelst steigende traject ter wereld. Merk je daar in de praktijk nou ook echt iets van? Nee. Is het een echte must? Nou.. nee, maar onderweg was het net een Eftelingattractie! Na elk tunneltje was er wel weer iets nieuws te zien: de ene keer een staafkerkje en een waterval, dan uitzicht over een dal, weer een waterval, een hoge berg, een grote waterval (met een door twee dames opgevoerde over-the-top act) enzovoorts. Troffen we in die trein toch zowaar een praatgrage Brit van het cruiseschip die “oh! Ef-cee-twentee!” exclameerde toen hij hoorde van Hengelo en Enschede!


L: het stationnetje, big business.
R: de waterval waar de dames in de waterwolk en de kou stonden te dansen. Naast een goede verzekering (je zou er maar in lazeren, toch?) betaalt het baantje vast erg goed 😉

Na de Flåmbaan reden we naar ons tweede huisje op het eiland Askøy, ergens aan de kust bij Bergen. Op het eiland bevond zich een meer waarin weer op zijn beurt weer een eilandje met ons vakantiehuisje lag. ’s Avonds zijn we in dat meertje gaan zwemmen. Het water was met een zalige 21 graden perfect.


L: bootje waarmee we eens een eindje over het meer hebben geroeid.
R: ik heb geen haast om dat water in te komen!

De tweede week – aan de kust
Al met al is het eiland weinig speciaal en de omgeving heeft met name (slecht onderhouden) overblijfselen uit WOII te bieden. Op het vogeleiland Herdla heb je de mogelijkheid om veel vogelsoorten te spotten. Verder ligt er nog iets van een start- en landingsbaan en staan er nog de overblijfselen van een hangar en wat bunkers. Bijzonder? Mwoah. Er wordt verder geen informatie ter plekke gegeven dus eigenlijk kom je van de achtergrond weinig te weten en dat is een gemiste kans. Bovendien kakten de aanwezige koeien het pad aardig vol, en off-road deden de ganzen ook nog een duit in het zakje, dus ontspannen wandelen zat er ook niet in. Maar een frisse neus krijg je er wel want het ligt natuurlijk zo goed als aan zee.

Bergen
Ik had nogal wat verwacht van het stadje, want het is per slot van rekening dé stad aan de kust. Maar voor de toeristen is vooral de vismarkt aardig (maar erg duur) en het oude stadsdeel Bryggen. Ook loopt er een treintje (de Fløibaan) naar boven, naar een uitzichtspunt. En dát treintje ging wel steil omhoog!


L: het uitzicht over Bergen. Het gedeelte van de stad wat op de foto staat is ook gelijk het beste gedeelte van de stad om als toerist rond te lopen.
R: ja, da’s diep hè?

We zijn er uit eten geweest bij restaurant To Kokker (Twee Koks). Omdat het in het populaire oude stadsdeel is gelegen – het gebouw is van 1703 – en als één van de beste restaurants in Bergen te boek staat, is het verstandig om vooraf te reserveren. Tot die tijd kun je je zuurverdiende centen met bakken per glas uitgeven in het bijbehorende cocktailbarretje. Het heeft iets weg van een flinke huiskamer, met Chesterfield-achtige stoelen, en een beperkt aantal zitplekken. Het houten interieur geeft het bovendien een gezellige uitstraling mee en dat maakt de pijnlijke prijs van de alcoholische versnaperingen toch acceptabel. Al is het maar voor één glas, het is zeker even de moeite waard.


L: dertig vierkante meter gezelligheid met op tafel een wijntje van acht euro en een biertje van zeven. En óf het dan lekker smaakt.
R: alleen een goede reputatie maakt het mogelijk om zo’n scheef intereur te hebben!

In het grote VVV-kantoor in Bergen is er de mogelijkheid om allerlei trips te (laten) boeken. Er zijn een handjevol balies waar behulpzame medewerkers je in prima Engels goed voorlichten en desnoods dingen voor je googlen. Wij hebben er dus een gletsjertocht geboekt.

Folgefonna gletsjer
Dichtbij het plaatsje Jondalen (in Hardanger) is er een Summerski Centre van waaruit je de lange skipistes af kunt roetsjen óf je klimijzers onder kunt binden voor een drie- of vijf-urige tocht over de Folgefonnagletsjer. Het is de op twee na grootste gletsjer van Noorwegen dus zeker wel de moeite waard. Op de weg er naartoe is wel een spaarzame veerverbinding en die hadden wij dus net gemist, met als gevolg dat wij een stuk later aankwamen en anderhalf uur later van start gingen. Vergewis je er in Noorwegen dus van of je gebruik moet maken van een veerboot!

Het team daar bestaat uit vlotte jongemannen (door de sneeuw vreemd gebruinde types met de broek op half acht, gebreide pet op en in een t-shirtje met een snowscooter afhakende deelnemers van de skipiste halend) en onder leiding van een gingen we, allen aan elkaar vastgeknoopt, de helling op. Klimijzers onder, pikhouweel mee, helm op en blij kijken! Wat je niet hebt aan uitrusting krijg je daar te leen en dingen als regenkleding kun je er huren. (Ik heb mijn leren jas aangehouden maar daar krijg je het een beetje té warm in.) Omdat je eerst de skipiste op moet alvorens naar de gletsjer te kunnen, ben je een groot deel van de tijd vooral bezig met naar de gletsjer toelopen. In die tocht van drie uur kun je dus feitelijk zo’n drie kwartier daadwerkelijk langs de gletsjerspleten lopen., voor meer “ice experience” moet je de tocht van vijf uur nemen. Enkele deelnemers hadden zich nogal verkeken op de inspanning en vereiste conditie, maar zij konden zonder probleem en binnen een paar minuten met de sneeuwscooter worden opgehaald. Ook al was het bewolkt en hadden we dus niet het anders zo mooie uitzicht, het was best een bijzondere ervaring. Je zou het eigenlijk alleen al moeten doen omdat die tuigjes gewoon superstoer staan.


L: nú lach je nog! En die tuigjes staan gewoon gaaf 🙂
R: mooi blauw is niet lelijk. Wel koud en diep. Hmmmzrs…

Na de gletsjertocht hadden we nog één dag ingepland om bij te komen en het huisje schoon te maken, want toen zat onze vakantie er al weer bijna op. De terugreis verliep voorspoedig ware het niet dat je in Noorwegen gebonden bent aan het snelheidslimiet van 80 km/u en de kronkelweggetjes het niet vaak toelaten dat je een slome camper in kunt halen. Je moet er dus niet gehaast in de auto stappen want dan kom je van een frustrerende kermis thuis. Voor bepaalde trajecten moet je tol betalen die niet zo heel veel voorstelt. Voor bruggen ben je echter meer geld kwijt. Maar of het een nou een compleet afgelegen tolpoortje, benzinepomp of camping is: je kunt zo goed als overal met de creditcard terecht. Dat is zeker handig omdat je dan niet ook nog eens met én Deense én Zweedse kronen blijft zitten.

Voor de terugreis hadden we geen overnachting geboekt maar zijn we dus op de gok langs wat campings aan de kust gereden. De tweede poging was raak en we hadden voor een prima prijs een mooi huisje (stapelbed, slaapbank, tafel met stoeltjes én een klein keukentje met koelkast) op een paar honderd meter van de Zweedse kustlijn. Zondagavond waren we nog voor half 9 weer thuis in Utrecht. Home sweet home, en dan vooral ons zalige aanrecht en wastafel op hoogte 🙂


Kijk eens, een heuse vuurtoren!

Nog een laatste welbekende waarschuwing, en wel over alcohol. Het is vast niets nieuws maar het alcoholbeleid in Noorwegen is heel erg wennen. De supermarkten bijvoorbeeld zijn weliswaar tot elf uur ’s avonds open maar na acht uur ’s avonds mag er geen alcohol meer worden verkocht. En alcohol slaat dan op bier, want alles wat sterker is dan 4,7% moet worden verkocht in de staatsslijter, de Vinmonopolet. En dat is dik cashen voor de overheid daar, want een flesje Lindemans wijn, hier voor rond de 5 euro, kost daar het driedubbele. En dat is niet fraai als je graag een wijntje drinkt ’s avonds. Neem daarom dus, als je de ruimte hebt, de maximaal toegestane hoeveelheid alcohol mee op vakantie om te voorkomen dat je daar een poot wordt uitgedraaid.