Griekse yoghurttaart met limoen, mango en granola

Ja, je leest het goed. Ik was op zoek naar een frisse taart en dat leek mij wel lekker met yoghurt, maar bij de meeste yoghurttaarten moet er dan nog een plens slagroom in. Daar had ik dan weer géén zin in. Zalige compromis: Griekse yoghurt, en dan een klein beetje slagroom waar ik van af wilde. De bodem wilde ik niet bakken omdat de oven al bezet was dus ik zocht mijn heil in dadels en wat er nog in de keukenlade lag. De limoen lag me ook al te lang op de fruitschaal aan te staren, dus die kon er ook wel doorheen (als je dan toch fris wilt..). Kortom, een recept dat met je meedenkt!

Ingrediënten:
Bodem:
– 170 g medjooldadels
– 80 g granola
– 20 g havermoutvlokken
– 75 digestivebiscuits

Vulling:
– 100 g slagroom
– 800 g yoghurt, Griekse stijl (grote pot bij Duitse supermarkt, en ik noem het gewoon Griekse yoghurt)
– 200 g magere yoghurt
– 8 blaadjes gelatine
– 4 zakjes vanillesuiker
– rasp en sap van 1 limoen

Toplaagje:
– vruchtvlees van een halve mango
– 1,5 blaadje gelatine

Bereidingswijze:
Week de gelatine in ruim koud water. Blitz de dadels met een klein scheutje water in een foodprocessor tot een smeuïge pasta. Meng het met de granola, havermout en verkruimelde biscuits. Dat laatste kun je ook weglaten maar zoals gezegd, ik wilde er vanaf en zag mijn kans schoon. Bekleed de bodem van een springvorm (diameter 20 cm) met bakpapier en druk daar het mengsel stevig in aan.

Klop de slagroom lobbig en meng de rasp en het sap van de limoen door de Griekse yoghurt. Verwarm de magere yoghurt in een steelpannetje en los daar, eenmaal warm geworden (dus zeker niet laten koken!) de gelatine in op. Houd wel 1,5 blaadje over voor de topping. Ik heb een beetje een haat-liefde-verhouding met gelatineoplossingen door koude producten werken, ik houd daar altijd klodders gelatine aan over, en dat is echt ENORM onaantrekkelijk in een taart. Sinds ik gelatine oplos in een ruime hoeveelheid yoghurt/sap/etc. dat ik eerst even verwarm, heb ik nooit geklier meer gehad! Zodoende: meng de gelatineyoghurt in een straal al kloppend door de Griekse yoghurt, en meng daar nog 4 zakjes vanillesuiker doorheen. Giet het yoghurtmengsel bovenop de bodem en plaats het geheel een uur of 3-4 in de koelkast. Pureer het vruchtvlees van de mango en druk het door een zeef. Verwarm dit en los er de gelatine in op. Laat dit ietsje afkoelen en giet dit dan over de taart (die van mij stond toen al een half uur in de koelkast), er voor zorgend dat je het gelijkmatig over de bovenkant verdeelt. Verder laten afkoelen en opstijven, en voila, uw Griekse yoghurt-limoen-mango-granola-taart is ready to serve!

En wat vonden we ervan?
Voor zo’n uit-de-losse-pols recept vind ik hem goed gelukt! Ook de hoeveelheid gelatine is precies goed. Het is geen rubberbal, en het kleddert ook niet uit de springvorm. Verder is het precies zuur genoeg. Er vliegt een vleug citrus over je tong, die wordt bijgestaan door ietsje vanille, ietsje zoetigs van de mango.. tropisch, fris, geen baksteen maar ook geen lucht.. Ja, zo’n taartpunt vormt met veel liefde een goede gezel voor mijn thee of koffie.

Nog wat tropischer? Meng dan een paar eetlepels kokosrasp door de ingrediënten van de bodem en voeg na het zeven van de mango passievrucht toe aan het toplaagje.
Nog wat magerder? Laat de slagroom en magere yoghurt weg en gebruik dan (half)volle yoghurt in plaats van de Griekse yoghurt.

Twentse Balkenbrij

Balkenbrij. Het is net als met de Italianen: 5 meter verderop beweren ze dat ze HET ENIGE GOEDE RECEPT hebben. Maar zoals de rest van de wereld weet is dat onzin en smaakt het iedere 5 meter weer net zo lekker. Zo ook balkenbrij. Iedere streek, veelal aan de oostkant van Nederland, kent zijn eigen variant. Van oorsprong gaan er ook de mindere stukken van een varken doorheen (zoals de kop) zodat je na het slachten ook daarvan iets lekkers kon maken. (Van het bloed van een geslacht varken kon dan ook met roggemeel bloedworst worden gemaakt, ook al zo’n briljant restverwerkingsrecept!)

Bij mijn schoonfamilie is het een traditie om met kerst(avond) balkenbrij te eten, van origine iets dat je na de avondlijke kerstmis deed. Ik heb het leren eten door te beginnen met een miezerig stukje op heerlijk vers brood. Lever, brrrr! Eigenlijk vond je de balkenbrij dus niet op mijn boterham terug… Nu, 10 jaar later, kan ik er een maand van tevoren al zin in krijgen en zou ik het midden in de zomer nog kunnen eten! Tijd dus om de traditie zelf te omarmen. En zo staan we op de avond vóór kerstavond in de keuken te zwoegen. Dit recept is genoeg voor 3 middelgrote schalen (een halve schaal is genoeg om 6 boterhammen mee te beleggen).

Basisingrediënten:
– 3 liter water
– 3 laurierblaadjes
– een mengsel van in totaal 750 g boekweitmeel en bloem (het kabouterpannenkoekmeel van Koopmans heeft een heel geschikt mengsel, wij gebruikten 1,5 pak)

Rommelkruid:
Naar het schijnt heet het zo omdat je maar wat aan moet rommelen met welke kruiden je gebruikt en de verhoudingen.
– 2-3 tl zwarte peper
– 1,5 tl nootmuskaat
– 1,5 tl kruidnagelpoeder
– 1,5 tl piment
(Let op: wij hebben er geen extra zout door gedaan omdat er ook al een groot stuk spek doorheen is gegaan. Teveel zout krijg je er immers niet meer uit en als het nodig is, kun je het achteraf er nog over strooien.)

Het vlees:
Er zou “naar recept” een kilo lever in moeten maar ik had me vergist in mijn bestelling. Is niet zo erg in het geval dat je niet zo van lever houdt. Komt allemaal niet op een onsje meer of minder.
– 400 gram zuurkoolspek (stuk)
– 500 g varkenslappen
– 545 g lever

Bereidingswijze:
Zet het vlees – alles in 1 stuk laten! – op met 3 liter water, 3 laurierbladeren en het rommelkruid. Kook het zachtjes gedurende een uur. Schep eventueel schuim van het water af.balkenbrij_1

Na een uur het vlees eruit halen en in blokjes van minstens 1×1 cm snijden. Alles terug in de pan doen en weer aan de kook brengen. Proef even om te kijken of het kruidig genoeg is. Bedenk je dat er nog een flinke hoeveelheid bloem doorheen zal gaan en dat de kruidigheid dan al afneemt. Roer er dan het meel doorheen (zwaar klusje!). Klontjes zijn niet erg, die vind je niet meer terug. Met 750 g meel hadden wij al en een heel stevig mengsel (we hadden het vlees gekookt met een gaatjesdeksel op de pan dus er zal ook geen 3 liter water meer in hebben gezeten). Richtlijnen ontbreken: op het einde moet het roeren erg zwaar gaan en er moet een lepel rechtop in blijven staan. Laat het even kort doorkoken. Stort dan het mengsel in met koud water omgespoelde kommen.

balkenbrij_2Laat de balkenbrij zo snel mogelijk afkoelen (in deze tijd van het jaar zou dat buiten kunnen, ware het niet dat het buiten lenteweer is) en bewaar het in de koelkast. De volgende dag stort je de balkenbrij op een snijplank en snijd je er met een dun en natgemaakt mes plakken van 1 cm dik van. Neem je een dikker en droog mes dan trek je de plakken aan gruzelementen. De plakken bak je in boter aan beide zijden bruin. Een halve schaal levert genoeg plakjes op voor 6 goed belegde boterhammen en daar kun je dan een hele middag op teren.

Bewaren:
Heb je net zoals wij per ongeluk veel teveel gemaakt (is there even such a thing?)? In de koelkast is het een paar dagen (!) houdbaar. Als je nog aan de smaak moet eh, wennen, deel dan dus stukken uit aan kennissen, collega’s of buren onder het mom van cultureel erfgoed… Invriezen kan ook maar vries dan de afzonderlijke plakken in. Zou je het als één stuk invriezen dan kan het bij het ontdooien namelijk moeilijk te snijden zijn. Ontdooi de plakken voor het gebruik niet maar doe ze zo, hup, de hete pan in. Niet net zo lekker als vers, maar kan in geval van nood.

Hoe smaakt het eigenlijk?
Deze keer viel me de enorme gelijkenis met kroketten op! Vlees in een bouillon-met-meelmengsel, het heeft er natuurlijk ook wel wat van weg. Omdat wij een deel van de varkenslappen ietsje te klein hadden gesneden hadden we soms zelfs dezelfde draadjesstructuur als uit een kroket! Toch smaakt dit net iets pittiger, kruidiger, en bovendien zitten hier grotere stukken vlees in.

Hoe dan te eten?
Bijvoorbeeld zoals ik het geleerd heb bij mijn Twentse schoonfamilie: op een plak lekker vers (rogge)brood, naar behoefte verder op smaak brengen met zout en peper. Er doen ook verhalen de rondte over serveren met stroop, pruimen of weet ik wat allemaal meer, maar persoonlijk vind ik het zo, “kaal” uitermate heerlijk. Met stroop krijgt het wat meer het idee van een spekpannenkoek met stroop. Probeer het vooral zonder: lekker hartig bij het ontbijt, als lunch of avondmaal. Bij voorkeur te eten op kerstavond of het ontbijt eerste kerstdag.

Laat je weten hoe het is uitgepakt?

Koffiebroodje met kaneel, rozijnen en banketbakkersroom

Ik had plots zin in een koffiebroodje. Of eigenlijk een Zweedse kanelbullar zoals we die in Stockholm aten. Maar ik kon me heugen dat ze afgezien van de donkere suiker-en-kaneel-vulling ook een beetje droog waren. Zoals koffiebroodjes eigenlijk altijd zijn. Toch? Dus daar moest ook nog een klassieke kleffe component bij: banketbakkersroom. En rozijnen. I want it all! En plots deed ik maar wat met de vulling. Smaakte schitterend!

koffiebroodje Smaakt beter dan het eruit ziet.

Ingrediënten:
– 50 g zachte roomboter en 50 g zachte margarine (in de hoop dat dat iets beter is dan 100 g roomboter.. but who am I kidding?! 100 g roomboter is lekkerder!)
– 7 g gedroogde gist
– 180 ml lauwe melk (niet heet, dan gaat de gist dood)
– 500 g tarwebloem
– 25 g witte basterdsuiker
– 1 el bruine suiker (last minute ingeving)
– 1 tl kaneel (ook op de bonnefooi)
– 1 ei
– 5 g zout (er circuleert ook een recept met 10 g maar dat vond ik wat te gortig)

Voor de vulling en afwerking
– banketbakkersroom:
x 500 ml melk
x 1 vanillestokje, zaadjes eruit geschraapt en stokje zelf ook bewaren
x 150 g kristalsuiker (verdeeld over 2×75 g)
x 4 eidooiers
x 2 el tarwebloem
– 150 gram rozijnen (of meer, of chocola, of noten, of cranberries, of…)
– 2 el kaneel
– flinke klont roomboter
– 75 g bruike suiker (kan ook meer of minder zijn geweest)
– 1 el abrikozenjam en/of poedersuiker

Bereidingswijze:
De banketbakkersroom moet afgekoeld op het uiteindelijke brooddeeg worden gesmeerd dus begin daar eerst mee.

Spoel een steelpan om met koud water, droog het niet af (werkt namelijk goed tegen aanbranden van de melk… vraag me niet hoe!). Breng de melk met 75 g suiker en het vanilleschraapsel en -stokje in het pannetje aan de kook. Klop met een vork de andere 75 g suiker door de eidooiers, en doe dan hetzelfde met de bloem. Zodra de melk kookt vis je het vanillestokje eruit en klop je iets van de hete melk door de eidooiers. Kan met vork of garde. (Ik moet dan altijd denken aan het “familie maken”, zoals Rudolph van Veen dat noemt. Het is om te voorkomen dat je eidooiers gelijk stollen als je ze bij de hete melk zou doen!) Dan het eidooiermengsel bij de rest van de melk in het pannetje gieten en breng het al roerend weer aan de kook. Op niet te hoog vuur want dan brandt je vla aan, dus blijf regelmatig roeren gedurende de 3 minuten waarin je de banketbakkersroom gaart. Spoel dan een grote schaal of een dienblad met opstaande rand om met koud water, droog niet af, en giet de room erop. Goed uitsmeren, dan koelt het beter af. Afdekken met huishoudfolie zodat er geen vel op komt. Goed laten afkoelen. Ik zette mijn ovenschaal in een gootsteen met koud water. Als je warme room op je koele brooddeeg mikkert wordt het een grote smeerboel om er de broodjes van te vormen!

Kneed voor het brooddeeg de boter, gist, melk, bloem, suiker(s), kaneel, ei en het zout door elkaar. Niet te lang kneden. Daarna in huishoudfolie in de koelkast leggen en een half uurtje laten liggen. Tegen die tijd is de banketbakkersroom waarschijnlijk ook wel wat koeler. Meng ondertussen de rozijnen met de kaneel en bruine suiker, masseer er de boter door. Voeg nog meer van het een of ander toe naargelang je smaakpapillen ingeven. Het wordt toch wel lekker. Rol na dat halve uur je deeglap uit tot een flinke rechthoek, waarbij het deeg in mijn geval een dikke 0,5 cm was. Smeer er de room over uit maar houd één uiteinde van je deeglap vrij van room. Daar komt straks de naad van de deegrol. Ik had teveel banketbakkersroom. Het werd een dikke laag room die het oprollen en snijden bemoeilijkte, dus kijk even of je dat ziet zitten. Zo nee, houd het dan bij een beschaafd dun laagje. Strooi daar dan weer de rozijnvulling overheen. Rol dan de deeglap op in de richting van de roomvrije kant. Bij mij werd dit een grote smeerzooi. Als dat jou ook gebeurt: geeft niks, komt goed. Want snijd daarna de rol in plakken van 2-3 cm en leg die op een bakplaat om, losjes bedekt met huishoudfolie, 30-40 minuten te rijzen. Eenmaal op de bakplaat modelleerde ik de broodjes weer in een ronde vorm, propte ik er nog wat rozijnen in, kledderde ik de banketbakkersroom terug tussen de deeglagen, en forceerde ik het spul net zo lang totdat alle broodjes op de bakplaat pasten.

Bak de broodjes af op 220 graden. Mij kostte het 30 minuten baktijd maar ga liever af op of ze er goudbruin uitzien. Haal ze dan uit de oven en bestrijk ze voor extra glans met een laagje verwarmde abrikozenjam. Je kunt ook kiezen voor een drizzle witte glazuur: meng een paar eetlepels poedersuiker met een beetje water, en druppel daar zo nodig voorzichtig wat water bij, net zo lang tot het glazuur lekker smeert. Laat dit dan vanaf een lepel over je broodjes lopen.

Tip: extra mooi bruin en een crunchy laagje er bovenop? Kwast de broodjes voor de rijs in met een ei losgeklopt met iets water, en besprenkel ze met suiker. Kwast ze na het rijzen nog eens in met het eimengsel en bak ze dan af.

Recept aangepast naar een uit “De banketbakker” van Cees Holtkamp.

Brood, daar zit wat in

Enthousiast aangestoken door mijn broer, met een recept afkomstig uit het boek “Brot Pain” van de vakschool in Richemont: zelf brood bakken. Na het no-knead-bread dat je in een gietijzeren pan bakt nu dan ook een brood waarvan je het deeg weldegelijk moet kneden.

De foto’s volgen nog.

Startdeeg
– 100 g tarwemeel
– 65 ml water
– 3 g verse gist, of 1,5 g droge gist
– 2 g zout

Meng de ingredienten door elkaar. Laat het 60-120 minuten rusten bij kamertemperatuur. Daarna 48 uur in de koelkast leggen.

Deeg:
– startdeeg
– 500 g tarwemeel
– 340 g lauw water (het schijnt dat je bij brood bakken water ook in grammen moet afmeten)
– 15 g verse gist of 7,5 g droge gist
– 12 g zout

Meng het meel, water en de gist door het “startdeeg”. Kneed er pas na een tijdje het zout doorheen: als je direct het zout toevoegt, doet dat de rijzende werking van het gist teniet. Laat het deeg 75-90 minuten rusten.
Kneed het deeg dan een tijdje flink door. Vorm het dan tot een brood en laat het daarna (op een stuk bakpapier) 25 minuten onder een vochtige theedoek rusten. Snijd er dan met het scherpste mes dat je hebt 2-4 inkepingen in (zo’n inkeping heet een coup de lame). Dat mag aardig diep, als de dikte van je deeg het toelaat dan mag dat gerust 4 cm. Ik heb de schaar gepakt maar door mijn platte deeg hield het op na 1 cm diepte. Als je een onscherp mes gebruikt, zoals ik aanvankelijk probeerde, trek je het deeg aan puin in plaats van er een super strakke snee in te zetten.

Als je een ovensteen hebt, verwarm de oven dan met steen en al voor op 220 graden. Til het brood met papier en al op de ovensteen of bakplaat. Bak het brood 20 minuten. Verlaag de temperatuur daarna tot 180 graden, zet de deur van de oven op een kiertje (steek er een houten lepel tussen) en bak hem nog 30 minuten. Eerlijk gezegd lees ik dat van die deur op een kier nu pas, dus dat heb ik dan ook niet gedaan.

En wat vonden we ervan?
Als je ’s ochtends om 9 uur met vers, warm brood wilt ontbijten, houdt dat in dat je ongeveer kwart over 6 eruit moet om het deeg te maken, zodat het om iets voor 8 de oven in kan. Is dat relaxt? Nee, niet als je op je zondagochtend een klein beetje uit wilt slapen. Maar! de geur van vers brood maakt heel veel goed! En hoe smaakt het? Naar meer. Want: warm, geurig en dampend vers brood, een lekkere laag roomboter en een fijne laag frambozenjam erop, en je eet het hele brood zo op. Er valt ook een rustiekere invalshoek te kiezen: het smaakt naar brood uit Zwitserland, van dat knapperige witte, ronde brood. Dus als je je tanden in de krakende korst zet en eens diep de geur opsnuift, dan is het niet zo heel moeilijk om je in Zwitserland te wanen. Een lekkere laag (Zwitserse) kaas op zo’n verse, dikke, zelfgesneden plak brood helpt ook. Vergeleken met het no-knead-bread was dit natuurlijk wel bewerkelijker, de binnenkant van het brood compacter (het brood in de pan had flink wat luchtige gaten) en had het een iets taaiere korst.

Een zelfgebakken brood kun je niet eindeloos lang bewaren. De ervaring met het no-knead-bread leert dat het de volgende dag al niet meer zo krakend is. Dus aan het einde van de dag is het schitterend om met (knoflook)olie en zout bij een wijntje te snaaien, en de volgende dag valt het ook prima te roosteren. En dan dus wel dik met roomboter en jam beleggen.

Wil je meer uitleg dan deze bondige samenvatting? Zie website hoedoe.nl voor een fijne stap-voor-stap uitleg.

Amaretti di niet-grappa

Sinds ons televisiezenderpakket kookkanaal “24kitchen” rijker is, ben ik verslingerd aan het bakprogramma van Rudolph van Veen, Rudolph’s Bakery. Er kwamen afgelopen week italiaanse koekjes voorbij, amaretti di grappa, een soort amandelkoekjes met botercreme en chocolade. Nu heb ik geen grappa in huis maar ik had nog wel een restje botercreme in de vriezer liggen en een doosje amandelen in de keukenla. Dus aan de slag!

Bereidingswijze en ingrediënten
Het deeg is niet zozeer deeg alswel smeuïge amandelpuree die je wat laat uitdrogen. Op 100 gram amandelen gaat 250 gram suiker. Dit samen in de foodprocessor aan gruis malen en het binden met nét genoeg eiwit dat je het idee hebt de massa middels een spuitzak te kunnen spuiten. Doe dat dan vervolgens en spuit kleine rondjes. Met voorgenoemde hoeveelheden heb ik een hele bakplaat vol gekregen. Bestuif alles met poedersuiker en laat het dan 12 uur drogen. Mijn koekjes zien er zo bruin uit omdat ik amandelen met het velletje er nog om heb gebruikt.

Ik had nog botercreme in de vriezer. Wat ik Rudolph zag doen was een hoeveelheid boter met poedersuiker mengen, maar daarvan weet ik de hoeveelheden niet. Ook deed hij er een scheutje grappa door. Het kan ook met rum. In beiden had ik niet zoveel trek, dus ik houd het alleen bij de botercreme. Verwarm de oven tot 220 graden. Plaats dan de koekjes 4 minuten in de oven totdat ze nét bruin zijn. (Ja, en hier ben ik met mijn bruine amandelen dus in het nadeel.) Blijf er het liefst even bij staan dus. Haal ze dan uit de oven en laat ze afkoelen. Spuit op een vel bakpapier een zelfde soort rondjes met de botercreme als dat je met het amandeldeeg gedaan hebt. Plaats dan de koekjes óp de toefjes botercreme (niet té hard drukken) en laat het geheel even opstijven in de vriezer zodat je het geheel van het bakpapier kunt halen zonder gelijk de boel kapot te maken. Laat in een kom chocolade smelten. Zodra de boter hard is, haal je voorzichtig de koekjes-met-botercreme van het bakpapier en doop je het in de gesmolten chocolade zodat de botercreme niet meer zichtbaar is. Plaats het dan weer op bakpapier en laat de chocolade hard worden.

Pompoenmuffins

Ik had een stuk pompoen over (na geroosterde pompoen en pompoenpasta was ik er wel klaar mee) en een recent geopend blik dulce de leche (opengetrokken in een bui van behoefte aan ZOET). Bij de Xenos trof ik een siliconen muffinvorm, type herfstblaadjes, en van het één kwam het ander: pompoenmuffins!

Mijn vorige muffinexperiment was qua smaak geslaagd, alleen qua vorm niet echt. Deze keer had ik daarom nóg meer aandacht voor zo min mogelijk in het beslag roeren.

pompoen

muffinbeslag

blaadjesvorm

pompoenmuffin

Het pompoenvlees probeerde ik eerst nog zacht te krijgen in de oven maar na een uur was ik geen steek verder dus dat heb ik 3 minuten in de magnetron gekieperd. Ze waren precies zoet genoeg, precies gekruid genoeg met koekkruiden, en precies sponzig genoeg. Aanrader!

Het originele recept staat in “1 beslag, 100 muffins“, van Susanna Tee. (Met zo’n naam kan dat ook niet verkeerd gaan.)

Brood bakken – deel 2

Twee jaar geleden (!) heb ik mijn eerste brood ooit gebakken. Wat me daar van is bij gebleven, is dat het zo’n plát brood werd in plaats van een rustieke bolle versie. Enig googlen leverde mij onderstaande interessante tip op van ene meneer Suas, banketbakker.

Mr. Suas said that these disappointing recipes were too wet. “Water doesn’t give you any flavor or structure, so enough to hold the flour together is enough,” he told me. “Any more and you don’t get bread, you get thick blini. Or bread pudding without the eggs.” He recommended choosing recipes under 75 percent hydration: a weight of water that is 75 percent or less the weight of the flour. (A calculator is handy for understanding baking.) His favorite hydration for a workable dough that produces a well-aerated, crusty loaf is 68 percent. (Uit de column “The Curious Cook“, NY Times)

Wat hier dus staat is dat hoe natter het deeg is, hoe platter het brood wordt omdat water niet bijdraagt aan het geven van structuur aan het brood. Een ideale verhouding is dat je hoeveelheid water minder dan 75% van het gewicht van het meel bedraagt. De vorige keer had ik (385 ml (gram) water : 475 gram bloem) x 100 = 81%. Dat verklaart al een boel. Deze keer heb ik dat dus anders aangepakt. Omdat ik met 320 ml het meel onmogelijk in één geheel kon omtoveren, eindigde ik alsnog met 475 gram bloem en 360 ml water. Maar met deze 75% moet het allicht beter gaan dan de vorige..!

Andere tips uit bovenstaande column:
– neem een recept waarbij het deeg niet te snel hoeft te rijzen: een langere “rijstijd” komt de kwaliteit ten goede. Dat komt omdat je dan met minder gist toekunt en dat is fijn omdat je gebruik van veel gist terugproeft als een bittere smaak van het brood.
– houd voor zout 2% van het gewicht van het meel aan
– een langwerpig brood zal luchtiger worden dan een groot, rond brood

Eigen overige aanpassingen: ik heb het deeg zaterdag 10.30 gemaakt, dus het zou (+18 uur) zondag om half 7 verder bewerkt moeten worden. Omdat het ’s nachts in de huiskamer natuurlijk afkoelt heb ik de kom bovenop een hete kruik in de piepschuimkist gezet zodat ik de volgende dag niet voor verrassingen zou komen te staan.

Nog iets over gist. Aldus de King Arthur Flour Baker’s Companion: instant yeast begint sneller te werken dan droge gist, hoewel droge gist in de loop van enkele uren hetzelfde effect bereikt. Volgens thefreshloaf.com: Instant yeast is a little more potent than active dry yeast and can be mixed in with your dry ingredients directly. I generally find it easier to work with. Active dry yeast works just as well as instant yeast, but requires being activated in a little bit of warm water before being added to the rest of the ingredients. Failure to properly activate it will result in your loaf not rising adequately.

Broodpudding

Een klassiek Brits gerecht, naar het schijnt. Maar zeg nou zelf: bróódpudding.. In geval van twijfel en nieuwsgierigheid is er maar één oplossing voor. Heb je nog een halfje casinowit liggen? Met dank aan mijn zus voor het recept en Nigella Lawson (voor de toevoeging van rozijnen en abrikozenjam).

breadpudding.jpgIngrediënten:
– 6 sneetjes witbrood (ik gebruikte een halfje casinowit), zonder korstjes
– 4 eidooiers
– 4 el suiker
(- 1 zakje vanillesuiker)
– 150 ml slagroom (ik had hier een bekertje van 125 ml voor…)
– 100 ml melk (… en datzelfde bekertje heb ik hergebruikt om 125 ml melk mee af te meten. Minder slagroom, meer melk.)
– abrikozenjam
– handvol rozijnen
– poedersuiker

Bereidingswijze:
Verwarm de oven voor op 180 graden. Besmeer de boterhammen met een dun laagje abrikozenjam en stapel ze op elkaar. Snijd dan het geheel schuin overmidden zodat je driehoeken krijgt. Zet ze een beetje leuk neer in een ovenschaal: traditioneel zet je de driehoekjes dakpansgewijs in een smalle schaal. Ik heb ze gewoon in een ronde schaal gedrukt..

Klop de eidooiers met de suiker romig en lichtgeel. Voeg al kloppend de melk en slagroom toe en giet het geheel dan over het brood. Strooi er een handjevol rozijnen erover en druk het geheel een beetje aan zodat de boterhammen het mengsel opzuigen. Bak de broodpudding 25 minuten.

Serveer een paar flinke scheppen broodpudding met een klein beetje poedersuiker erover. En als je eens wat anders wilt: met suikerbrood is dit ook erg lekker.

En wat vonden we ervan?
Fantastisch lekker! We waren erg verrast dat een toetje met brood zo lekker uit kon pakken. Het was wel erg zoet. Nu had ik de vanillesuiker al weggelaten (lees: vergeten) maar door de abrikozenjam en poedersuiker was het wel heftig zoet. Dus misschien kan er wat minder suiker worden gebruikt. Of misschien zelfs geen suiker? Hoe dan ook: bovenstaande hoeveelheid ging er bij 2 personen ook wel in. En het is het ook weer zo’n recept dat eigenlijk niet kan mislukken!

Eiwitten over? Ideaal voor meringues of chocolademousse!

Vis in zoutkorst

Da’s ook al zoiets: “vis in zoutkorst”. Ik kon me alleen maar voorstellen hoe ik dan na veel prutsen een half rauwe vis in een grote zoutklomp zou vinden. Een klomp bovendien die ik eerst vakkundig moest kapot slaan met een hamer. Ik houd er niet van om ontzettend gewicht te doen over eten, zoals de rest van Nederland dat soms nodig schijnt te vinden, maar nee, een vis in het zout bakken, daar moet je toch wel een beetje culinair klaar voor zijn. En dat waren wij enkele weken geleden. Hier in Utrecht kocht ik bij de zeer vriendelijke en behulpzame visboer aan het begin van de Amsterdamsestraatweg een hele dorade, de ingewanden eruit en ontschubd en al. Dat laatste hoefde achteraf gezien niet want als je de vis in zout bakt, eet je de huid toch niet op.

Ik heb echt veel plezier gehad van het klaarmaken ervan (ja, zoiets simpels, dat kan je soms zo gebeuren, hè?) en het was leuk om het eens anders dan anders te doen. Het originele recept van inspiratiebron Jamie Oliver is terug te vinden op jamieoliver.com, ik heb er gewoon een beetje mee lopen aanrommelen 😉

Ingrediënten:
– één vis naar keuze
– 1 kg grof zout
– 2 eiwitten
– kruiden naar keuze (ik koos voor een paar sprieten tijm)

Bereidingswijze:

Verwarm de oven voor op 200 graden. Klop de eiwitten stijf in een vetvrije kom (kom dus goed afwassen of ontvetten met een halve citroen). Spatel ze dan door de kilo zout. Leg een laagje zout in een ovenschaal en leg er de vis, ietsje ingewreven met olijfolie, erop en stop de kruiden in de buik.

Doe dan de rest van het zout op de vis en maak er een mooi aangeklopt bergje van. Plaats het geheel 25 minuten in de oven. De oventijd is afhankelijk van het gewicht van de vis en die is vast wel op het internet te vinden. Haal daarna de vis uit de oven en laat hem nog zo’n 10 minuten staan.

Daarna kun je de zoutkorst kapot breken en de vis eruit halen. Het vel neem je gemakkelijk mee bij het zout verwijderen dus pas op dat je dan niet per ongeluk een hele partij zout op de ontvelde vis brengt: het mooiste is als je de vis huid- én zoutloos op je bord weet te krijgen.

En wat vond ik ervan?
Lekker! De vis blijft heel mals en hij smaakt ook erg lekker. Een hele makkelijke manier om je vis redelijk gegarandeerd lekker op je bord te krijgen. Deze methode is dus een blijvertje.

Review – witlof-aardappeltaart

Ik wilde onlangs de witlof eens anders klaarmaken dan in de vorm van een salade. Witlof is gekookt nou eenmaal ook erg lekker maar je moet het gewoon even goed verkopen. Niet in de vorm van de lekkere maar cliché witlof met ham en kaas, daarom dus eens wat compleet anders: een hartige witloftaart. Het originele recept is terug te vinden op ah.nl.

Ingrediënten:
– olijfolie
– ontdooide plakjes deeg voor hartige taart, genoeg om de ovenschaal mee te bekleden
– 500 g aardappels, geschild en in plakken (niet te dun!)
– 600 g witlof
– 1 ui, gesnipperd
– 3 eieren, losgeklopt
– 1 beker slagroom (250 ml)
– 1 pakje gerookt ontbijtspek (125 g, plakjes)

Bereidingswijze:
Verwarm de oven voor op 200 graden, vet de ovenschaal in en bekleed hem met het deeg. Kook de aardappelschijven voor en laat ze daarna uitlekken. Snijd de onderkant van de witlof af en haal voorzichtig de blaadjes van het stronkje af. Die binnenste paar blaadjes kun je laten voor wat het is, want het is nogal een gepeuter om die van elkaar af te krijgen.
Bak de ui even aan en doe er dan de witlofblaadjes bij om ze gedurende 8 minuten te bakken totdat ze er iets glaziger en bruiner uit zien.
Meng de eieren met de slagroom, peper en zout in een kom. Schep de witlof en de aardappelschijfjes er voorzichtig door, meng het geheel goed, en schep het dan in de ovenschaal. Bedek met geheel met de ontbijtspek. Bak de taart 35 minuten in het midden van de oven.

En wat vond ik ervan?
Lekker! Ik had nog nooit eerder gekookt met het hartige deeg maar het is zeker lekker. Het deeg kreeg aan de zijkanten van de schaal een prima textuur maar op de bodem werd het een beetje zompig. Daar zou ik de volgende keer dan nog iets op verzinnen. Ik zou dan ook de witlofblaadjes één keer doormidden snijden want nu waren het toch wel lange witlofslierten die er een beetje onappetijtelijk bij lagen. Verder smaakte de witlof verrassend zoetig, dankzij het bakken, en door de eieren en de slagroom was de schotel ook nog eens smeuïg en romig. Ik wilde het eigenlijk niet met de slagroom bereiden, maar ik vond dat het voor één keer wel moest kunnen. Misschien valt hiervoor crème fraîche te gebruiken? Slotsom: ik vond het echt lekker. Maar het is en blijft gekookte witlof, en daar moet je wel van houden 😉