Een verhaal over een leukemiepatiëntje, maar vooral een verhaal over hoe de moeder van het leukemiepatiëntje de ziekte en de toestanden er omheen beleeft. Nu ben ik zelf zo fortuinlijk dat ik geen leukemiepatiënten in de omgeving heb (gehad) maar dat maakt het ook lastiger om aansluiting te vinden bij hetgeen Truijens schrijft. Desondanks kan ik me bij de klinische situaties wel iets voorstellen: de beenmergpuncties, de labuitslagen, enzovoort. Wat Truijens ook steeds terugkerend beschrijft zijn de twijfels over het bestaan van (een) God. Ik weet niet precies of het ook de bedoeling was om daar in het boek een beetje de focus op te leggen. Maar het is overduidelijk dat het leed wat je op de afdeling kinderoncologie voor je kiezen krijgt, terwijl de kinderen zelf er nog het minst bij schijnen stil te staan, je doet overpeinzen of het allemaal ergens toe dient. Of het rechtvaardig is dat deze kinderen lijden en sterven. Enzovoort.
Hoewel ik dus weinig meeleefde en amper in het verhaal zat, las het boek vlot weg. Ook vanwege het lekkere taalgebruik. Maar dan waren er toch nog deze passages.. wacht even. ah, hier:
Aan onze relatie 'werken', dat deden we al helemaal nooit. De liefde als werkproject, net als op kantoor. Een nachtmerrie. Stel het eens voor: de enige persoon door wie je je zorgeloos begrepen en vergeven waant, eist harde beloftes en klinkende gelijke munt. Ik zou hem acuut de deur uit schoppen. [...] Eén ding is zeker: als het toch misgaat helpt praten niks. Voor zover ik me herinner maken 'relatiegesprekken' de boel er alleen maar erger op. Ze openen een beerput aan kleine korzeligheden en allang vergeten conflicten. Waar prettige sleur heerste, een sleetse jas die lekker zit, strekt zich een rotslandschap uit vol geniepige uitsteeksels en onverhoedse afgronden. Ja, maar je zei toen, je had beloofd, kun je niet één keer, je weet toch dat ik.
Nee, dat weet je niet. Niemand weet, goedbeschouwd, wat een ander wil. Een man is wat hij doet. Poken in de stof waarvan dromen zijn gemaakt, levert een berg modder op.
Wat een zaligheid dat er eindelijk iemand schrijft dat níet iedereen vindt dat je moet werken aan een relatie. En dan de "ja, maar je zei toen, je had beloofd, kun je niet één keer, je weet toch dat ik." Zo gáát het ook.
Misschien is het boek fijn om te lezen voor mensen in hetzelfde schuitje. Voor mij was het vooral aardig om te lezen wat er zoal in het hoofd van de moeder van zo'n patiëntje om kan gaan.
