Het boek gaat over Alfred, een geoloog, die afreist naar het noorden van Noorwegen om daar onderzoek te doen. Hij gaat op expeditie met een aantal Noorse collega's maar het is al gauw duidelijk dat zij daar veel beter op toegerust zijn dan Alfred. Die is het niet gewend om met zo'n zware rugzak te lopen en er ook nog eens rivieren mee over te steken. Sowieso is de tocht zwaar: door de middernachtszon wordt het er nooit écht donker, zijn tentgenoot snurkt en er zijn al-tijd muggen! Altijd!
Het vraagstuk waarmee Alfred zich bezig houdt namens zijn Nederlandse professor is of de watergaten die er in het gebied te vinden zijn, zijn ontstaan door meteorieten. De Noren van de expeditie vinden het nogal vergezocht (die gaten zijn er gekomen met de ijstijd) maar dulden zijn aanwezigheid ondanks dat hij nogal een onhandig blok aan hun been lijkt. Alfred zou overigens met een eventuele vondst iets heel groots goedmaken: de dood van zijn vader die op jonge leeftijd bij een tocht was omgekomen. Hij worstelt nogal met die verwachting, die hem overigens ook een beetje wordt opgelegd door zijn ambitieuze moeder. Daar komt nog eens bij dat hij vóór de expeditie graag luchtfoto's van het gebied had bestudeerd zodat hij wat beter zou weten waar te zoeken. Maar het lijkt er steeds meer op dat hij elke keer van het kastje naar de muur wordt gestuurd. Waarom geeft de Noorse professor hem niet gewoon die foto's? Heeft het iets te maken met rivaliteit en een geschil tussen hem en de Nederlandse prof, en is Alfred nu de pineut?
Het hele boek door vraag je je af, elke keer als Alfred weer een stukje achterop valt, uitglijdt in het water of wéér niets vindt wat zijn hypothese kan ondersteunen: hoort hij hier wel thuis? Het is een herkenbaar gevoel van erbij willen horen maar toch veroordeeld blijven tot je eigen zeepbel. Dat schijnt Alfred zelf ook wel te denken. "Ik moet mij tot het uiterste bedwingen om niet op te staan en hem toe te schreeuwen: Laat maar! Het hoeft al niet meer! Ik heb het al gezien! Er is niets voor mij te vinden waarmee ik eer kan inleggen, waarmee ik het ongeluk van mijn vader kan goedmaken! Ik ga terug! Ik verknoei mijn tijd! Ik ben niet in de wieg gelegd om monnikenwerk te verrichten, ik ben niet een soort boekhouder van het vrije veld, ik wil niet beschrijven, maar ontdekken!"
Het verhaal zit niet vol met verrassende ontdekkingen of wat dan ook, maar het is een beschrijving van een moeizame zoektocht naar iets groots, misschien wel te hoog gegrepen groots. Het beschrijft afzien, afgunst en twijfels. Het gevoel van eenzaamheid wordt nog eens onderstreept door beschrijvingen van het kale, ruige Noorse landschap. Je zou dus denken dat het boek zelf óók afzien is! Maar niets is minder waar! Ik heb me er regelmatig over verbaasd dat Hermans er de humor zo goed weet in te houden, terwijl het verder niet is bedoeld als een komisch boek natuurlijk. Ik citeer (en hier heb ik echt om moeten lachen):
Op mijn benen verzamelt het zweet zich in druppels die ik kriebelend naar beneden voel glijden. Muggen en vliegen doen de toonhoogten van hun gezoem rijzen en dalen volgens het Dopplereffect. O, je weet precies als ze vlak bij je oor zijn. Ik heb in de loop van de dag, met veel succes, een techniek ontwikkeld ze dood te slaan tegen de zijkant van mijn hoofd, zonder te kijken, alleen op het geoor. Ik gaf ze de sonargestuurde doodklap. Maar nu kan ik niet slaan en het moet trouwens niet nodig zijn. Het muggennetje beschermt mij immers volledig? Alleen die prik in mijn neus vertrouw ik niet. Ik sla mijn ogen op. Boven mijn rechteroog zit, op het gaas, een mug. Het net rust op de punt van mijn neus. Ik heb mij niet verbeeld dat ik gestoken ben, dat kan heel goed door het net heen zijn gebeurd. Door te blazen weet ik te bewerken dat het netje een paar centimeter van mijn neus af komt te staan en doordat het een zekere stugheid bezit, blijft het zo. Als ik tenminste mijn hoofd niet beweeg.Is dit boek een aanrader? Ik vind van wel. Alfred is een invoelbaar karakter en het boek leest vlot weg. Wat wil je nog meer? Doen!De mug die mij heeft gestoken, is teruggekeerd naar boven om zijn heldendaad op te snijden. Twintig, dertig broertjes en zusjes van hem komen kijken of het waar is wat hij beweert. Strijken neer. Zien met één oogopslag dat ze er net niet bij kunnen. Eén oogopslag! Ik krijg nog kramp in mijn ogen door te proberen die muggen op zo korte afstand duidelijk te zien.
Mijn ogen weer dicht, beluister ik wat de muggen bespreken.
- Hij heeft gelogen, zegt er een, hij heeft niet gestoken, hij heeft alleen maar geroken.
- Inderdaad, dat zal het wezen, zegt z'n broertje, het ruikt hier namelijk verdomd lekker.
- Wat je lekker noemt!
- Lekker! Jazeker! Jij bent nog te groen om de lucht van mens met muggenolie lekker te vinden.
- Net een klein kind dat nog geen mosterd op zijn vlees lust!
Ook moeder doet een pedagogische duit in het zakje.
- De muggenoliefabrikanten zijn al lang tot andere gedachten gekomen. Ze maken tegenwoordig muggenolie waadoor mensen nog lekkerder ruiken dan vroeger, in plaats van minder lekker.Welke flauwiteiten kan ik nog meer verzinnen om mijn gevoel voor humor niet te verliezen, zo kostbaar in hachelijke omstandigheden?
