De begrafenis zaterdag was ontroerend. Droevig. Maar ik voelde me kalm en berust in het feit dat we met de aanwezige liefhebbenden mijn oom mochten gaan begraven. Dat had, voor mijn gevoel, vooral ermee te maken dat mijn oom bij leven vaak zei dat elke dag die hij kreeg weer mooi was omdat hij na zijn hartoperaties al veel langer had geleefd dan verwacht. Dat hij blij was dat hij zijn kleinkinderen heeft op zien groeien. Dat hij tevreden was en dat het leven goed was geweest. Het scheelt enorm als iemand zelf zo in het leven staat. Ik hoop dat de troostende woorden van de dominee de aanwezigen kracht mogen hebben geven en dat de familie de nabijheid van God kan en mag ervaren bij het dragen van dit verdriet en het gemis.
Toen we naar de begraafplaats liepen begon het te regenen.
Ondanks dat ik er eerder echt niet elke week op visite ben geweest, mis ik hem toch. Hij was er zo trots op dat ik dokter ga worden! En mijn farmacotoets ging ik de volgende keer wel halen, dat kwam wel goed, had hij tegen mijn moeder gezegd. Nu denk ik veel aan het beeld dat van hem in mijn hoofd zit. Een klein mannetje, licht voorovergebogen in zijn lievelingsstoel, rimpelig gelaat, grote bril en grote glimlach. Maar dát beeld en het wassenbeeldengezicht in de kist zijn nog steeds niet echt met elkaar te rijmen. Alsof hij stiekem alleen maar even boodschappen is gaan doen. Het besef zal met het verstrijken van de tijd er wel in slijten.
Tot weerziens.